Skip navigation

Oorjaarlijst-analyse 2014:

De dag voor Kerst drukte mijn plaatselijke dagblad de complete Radio 2 Top 2000 af. Er boven stond ‘Lijst der lijsten’. Dat laatste ga ik hier verder niet ontkennen of bevestigen; daar is het mij niet om te doen. Het gaat mij om de impact van die drie woordjes. Het klinkt toch een beetje als ‘Kampioen der kampioenen’ of ‘Vorst der vorsten’. De overtreffende trap van iets wat al een groot belang suggereert.
En zo is het. In een tijd dat dikke boeken – en dan heb ik het over dikke boeken die ergens over gaan, dus niet detectives die tegenwoordig bij voorkeur ‘literaire thrillers’ worden genoemd – hooguit nog gelezen worden in ‘elitekringen’ die door de grote blonde leider zo verafschuwd worden, wordt informatie bij voorkeur overgedragen op het formaat van een smartphone-schermpje. En om dat passend te krijgen worden lange lappen tekst steevast vervangen door grafieken, tabellen en lijstjes.
Uiteraard zijn dat bonafide informatiedragers – de wetenschap kan niet zonder grafieken, tabellen en lijsten. Alleen worden die doorgaans wel toegelicht en van een handleiding voorzien met enkele A4-tjes tekst. Dat is er op de smartphones doorgaans niet bij en hetzelfde kan worden gezegd van de kranten die het laatste decennium de grafiek, tabel en lijst ook hebben ontdekt als een soort nieuwsvoorziening in stripverhaalvorm.

The War on Drugs - Lost in the Drteam

The War on Drugs – Lost in the Drteam

Popmuziek en lijstjes hebben al een gezamenlijke geschiedenis van minstens een halve eeuw. In zeker opzicht in Nederland zelfs exact een halve eeuw: Op 1 januari 1965 ging de befaamde Veronica Top-40 van start. Als jonge tiener, eind jaren zestig, was die lijst voor mij heilig. Veel later kreeg ik in de gaten hoezeer er met die lijst gesjoemeld werd (Lees daarvoor ondermeer het zeer onderhoudende boek ‘Dit was Veronica; Geschiedenis van een Piraat’ van Auke Kok, 2008, Thomas Rap Amsterdam).
Later in mijn tienerjaren werd de ‘Oorjaarlijst’ voor mij ‘de lijst der lijsten’. De lijst waarvoor he het Kerstnummer van de – toen nog – Muziekkrant kocht en waarover je discussieerde met je muziekvrienden. En in tegenstelling tot die van Veronica, een lijst zonder ‘bijbelangen’. Maar dat neemt niet weg dat een lijst zonder verdere toelichting een valse schijn kan wekken – al is bij de Oorlijst natuurlijk wel altijd duidelijk geweest hoe en door hoeveel deelnemers die werd samengesteld.
Maar in welke mate zijn de gegevens die je gevonden hebt relevant. En in hoeverre zijn de verschillen tussen verschillende metingen en respondenten significant? En zelfs als dat allemaal verzekerd is, hoe interpreteer je dan de uiteindelijke resultaten. Dat is misschien nog wel het meest heikele punt. Over al deze zaken schreef Coen de Bruijn – absoluut geen familie; de statistische kans om ‘Bruijn’ of ‘Bruyn’ te heten in dit land is behoorlijk groot – het zeer verhelderende boek ‘Van Tofu krijg je Geheugenverlies; Gekonkel en gestuntel met statistiek in media, politiek en reclame’ (2010, Uitg. Het Tweede Gezicht, Den Haag) waar ik ook voor deze analyse dankbaar gebruik heb gemaakt.

Te prijzen valt in ieder geval dat Oor de eindlijst ook dit jaar weer gewoon ‘eindlijst 2014’ heeft genoemd en niet ‘De beste platen van 2014’. De factoren kwaliteit en kwantiteit door elkaar halen is een kenmerk van het populisme en daar laat een kwaliteitsblad zich natuurlijk niet mee in.

Ooit, in de jaren zeventig, werd de Oor-jaarlijst nog samengesteld door amper twintig journalisten. Nu zijn dat er bijna driemaal zoveel. Dat levert interessantere cijfers op.
Echter, hoe relevant zijn deze cijfers? Kun je wel tot in het oneindige blijven doortellen en rangschikken, of moet je ergens een duidelijke streep trekken om de zaken een beetje serieus betekenisvol te houden?

Typhoon - Lobi da Basi

Typhoon – Lobi da Basi

Ik voer de ‘analyse’ dit jaar voor de negende keer uit (2005, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014) wat – ervan uitgaande dat de groep deelnemers over die periode grofweg constant is – weldegelijk enig inzicht begint op te leveren. Hierbij de resultaten van enkele dagdelen tellen, hertellen en toetsen aan wat statistische principes:

Om te beginnen de top-30 zoals die in de Oor #12 (dec 2014) verschenen is, maar nu met het behaalde puntenaantal erbij vermeld – nummer één in ieder lijstje kreeg 10 punten, nummer twee 9, etc. Plus tussen haakjes het aantal keren dat het album genomineerd werd. Bij gelijk puntenaantal gaat hoogste aantal nominaties voor.
Echter wel met twee correcties, waarvan één beslist relevant. Tellen en enkele keren natellen leert dat Damien Rice weldegelijk boven Swans eindigt. En in de staart van de lijst moet Sohn formeel boven Lonely the Brave staan, al gaat het daar allang niet meer om een werkelijk significant onderscheid.

Lijst 1:

1 The War on Drugs – Lost in the Dream 173 (26)
2 Typhoon – Lobi da Basi 112 (16)

3 Spoon – They want my Soul 84 (13)
4 Damien Rice – My favorite faded Fantasy 76 (11)
5 Swans – To be kind 70 (10)
6 Temples – Sun Structures 63 (12)
7 Moodymann – Moodymann 59 (10)
8 Beck – Morning Phase 56 (10)
9 Avi Buffalo – At Best Cuckold 50 (7)
10 Alt-J – This is all yours 49 (9)
11 Damon Albarn – Everyday Robots 48 (9)
12 Real Estate – Atlas 48 (8)
13 Flying Lotus – You’re dead 47 (8)
14 FKA Twigs – LP1 40 (6)
15 St Vincent – St Vincent 37 (7)

16/17 Jack White – Lazaretto 35 (5)
16/17 The Acid – Liminal 35 (5)
18 Reigning Sound – Shattered 32 (4)
19 Moss – We both know the Rest is Noise 30 (5)
20 Sun kil Moon – Benji 29 (5)
21 Perfumed Genius – Too bright 29 (4)
22 Future Islands – Singles 28 (5)
23 Cloud Nothings – Here and nowhere else 28 (4)
24 The black Keys – Turn blue 25 (4)
25 Royal Blood – Royal Blood 23 (4)
26/27 Aphex Twin – Syro 21 (5)
26/27 Caribou – Our Love 21 (5)
28/29 Amen Dunes – Love 20 (3)
28/29 Sohn – Tremors 20 (3)
30 Lonely the Brave – The Days War 20 (2)

Oor zelf noemt de albums vanaf nummer 21 al ‘Bubbling Under’. Niet zonder reden, omdat de relevantie van deze plekken in de lijst uiterst twijfelachtig is. Daarover later meer.

Maar voordat ik het over de relevantie van de lijst ga hebben eerst even een opmerking over de wijze van samenstellen. Doorslaggevend bij Oor – en veel andere lijsten – is het puntenaantal en bij gelijk puntenaantal is het aantal nominaties bepalend. Er is echter ook iets te zeggen voor een telling waarbij het aantal nominaties het zwaarste weegt en daarna pas – bij gelijk aantal nominaties – het totaal aantal punten dat een album scoort. De eindlijst van het Britse muziekblad The Wire is bijvoorbeeld op die manier samengesteld.
Mede uit eigen ervaring weet ik dat lijstjessamenstellers misschien nog wel meer hechten aan de vraag welke tien platen in hun lijstje komen – en dus in Oor afgedrukt worden – dan aan de precieze volgorde van dat lijstje. Onderbouwing voor die gedachte vond ik in het verleden regelmatig bij het lezen van de blogs van diverse samenstellers. De vraag welke albums de top-10 überhaupt zouden halen leverde meer getob op dan de exacte positie van de tien geselecteerde albums.

Een alternatieve Top 15 waarbij het aantal nominaties doorslaggevend is zou er zo uitzien:

Lijst 2:

1 The War on Drugs – Lost in the Dream 173 (26)
2 Typhoon – Lobi da Basi 112 (16)

3 Spoon – They want my Soul 84 (13)
4 Temples – Sun Structures 63 (12)
5 Damien Rice – My favorite faded Fantasy 76 (11)
6 Swans – To be kind 70 (10)
7 Moodymann – Moodymann 59 (10)
8 Beck – Morning Phase 56 (10)
9 Alt-J – This is all yours 49 (9)
10 Damon Albarn – Everyday Robots 48 (9)
11 Real Estate – Atlas 48 (8)
12 Flying Lotus – You’re dead 47 (8)
13 Avi Buffalo – At Best Cuckold 50 (7)
14 St Vincent – St Vincent 37 (7)
15 FKA Twigs – LP1 40 (6)

(Ik stop hier bij nummer 15, omdat ik verderop zal aantonen dat albums met minder dan 6 nominaties eigenlijk al niet meer relevant te noemen zijn binnen de telling. Pech voor Jack White en The Acid.)

Het opvallendste verschil tussen de beide lijsten is het stijgen van Temples van 6 naar 4 ten koste van Damien Rice

Spoon - They want my Soul

Spoon – They want my Soul

en Swans, hoewel Temples maar liefst dertien punten minder gescoord heeft dan Rice. Temples is weliswaar vaker genoemd, maar doorgaans een stuk lager in de persoonlijke lijstjes gezet. Verder is Avi Buffalo een viertal plaatsen gezakt, maar bij dat deel van de lijst kan, zoals later aangetoond wordt, eigenlijk niet meer van significante verschillen gesproken worden. Kortom, het enige relevante onderscheid tussen beide vormen van rangorde samenstellen, is dat bij het tellen op basis van nominaties Temples enkele plaatsen hoger eindigt.

Ik heb voor de aardigheid nog twee andere wijzen van samenstellen uitgeprobeerd:
Hoe zou de lijst er uit hebben gezien als alle deelnemers slechts één album hadden mogen noemen? Ik heb dus gekeken naar de platen die de deelnemers als nummer één in hun jaarlijstje hebben genoemd. Hierbij het overzicht van de platen die door meer dan één deelnemer op de bovenste plek werden gezet:

Tabel 1:
Artiest Aantal keren op #1

1 The War on Drugs 6
2/3 Typhoon 5
2/3 Damien Rice 5
4 t/m 6 Spoon 2
4 t/m 6 Flying Lotus 2
4 t/m 6 Lonely the Brave 2

Tabel 1 verklaart deels het verschil tussen de posities van Damien Rice in de beide voorafgaaande lijsten 1 en 2. Rice staat iets minder hoog in de ‘nominatieslijst’ 2, maar is bovengemiddeld vaak op de eerste plek gezet eindigt daardoor op plek 4 in lijst 1 (De Oorlijst).
Zondermeer curieus is natuurlijk Lonely the Brave in bovenstaande tabel 1. In lijst 1 kun je al zien dat dat album met twee nominaties twintig punten scoort en daarmee aan de staart van de ‘bubbling under’ bungelt. Er zijn dus twee deelnemers die Lonely the Brave op één gezet hebben. Samen nog geen 4% vaan de 55 deelnemers dus en derhalve statistisch een weinig relevante score.

De zaken worden alweer wat relevanter als we bij alle deelnemers niet alleen naar de nummer één kijken, maar per deelnemer de top-3 in acht nemen. En daarbij dan het aantal keren genoemd zijn als uitgangspunt nemen (tabel 2). Dan krijgen we een eindlijst die alweer minder verschilt van de Oorlijst, lijst 1.
(Damien Rice scoort hier weer bovengemiddeld goed, vooral dankzij die 5 nummer één noteringen, maar de voorsprong hier op Spoon en Swans is niet echt significant)

Tabel 2:

Artiest Aantal keren genoemd in top-3

1 The War on Drugs 12
2 Typhoon 8
3 Damien Rice 6
4/5 Spoon 5
4/5 Swans 5

Damien Rice - My favorite faded Fantasy

Damien Rice – My favorite faded Fantasy

Dan nu het echte werk. De relevantie van de lijst en de vraag hoe significant de verschillen zijn. Daarvoor gaan we terug naar de oorspronkelijke Oorlijst.

Wat de relevantie betreft:

Er deden dit jaar evenals in 2013 en 2012 vijfenvijftig samenstellers mee aan de jaarlijstjes. Vijf minder dan in 2011 en in 2009. In 2010 waren er vijftig deelnemers en in 2008 maar liefst 64. In 2007 vijftig en in 2006 en 2005 werd er in beide gevallen door 44 samenstellers deelgenomen. Hoe meer deelnemers, of respondenten, hoe betrouwbaarder de statistiek en hoe meer mogelijkheden om de resultaten succesvol te analyseren en interpreteren. Maar dat is evident. (Zie tabel 3)

Tabel 3
Jaar Aantal deelnemers
2005 44
2006 44
2007 50
2008 64
2009 60
2010 50
2011 60
2012 55
2013 55
2014 55

De 55 deelnemers van 2014 hadden in theorie in totaal 10 x 55 = 550 verschillende albums kunnen nomineren. Ze nomineerden in totaal 262 albums, wat neerkomt op 4,76 ‘unieke albums’ per samensteller. Hoe meer unieke albums per lijstje, hoe meer de samenstellers van elkaar verschillen in hun opvatting wat de belangrijke platen van het jaar zijn. (Zie tabel 4)

Tabel 4.

jaar Aantal unieke albums per respondent
2007 5,56
2008 5,03
2009 5,53
2010 5,50
2011 5,20
2012 5,31
2013 5,04
2014 4,76

Daaruit mag je concluderen dat de samenstellers het in 2014 iets méér met elkaar eens waren dan de vier voorgaande jaren. Met name het verschil tussen 2014 en 2012 is significant te noemen. De verschillen zijn echter te klein om al te ver strekkende conclusies aan te verbinden.

Hoveel ‘unieke albums per lijst’ er worden genomineerd hangt niet alleen af van het aantal releases waaruit een keuze kan worden gemaakt, maar waarschijnlijk nog meer van het deelnemersveld. Specialisten binnen een genre – reggae, deathmetal, drum’n’bass, singersongwriters, progrock, etc) zullen eerder geneigd zijn albums te nomineren die niemand anders noemt dan generalisten doen. De Oorjaarlijst wordt al jaren overwegend door generalisten samengesteld, wat méér bruikbare gegevens oplevert – omdat albums die slechts éénmaal genoemd worden statistisch vooral ‘ruis’ wordt opgevat.
Dat vaststellend, zou het best kunnen dat de voorzichtig toenemende overeenstemming die over de laatste vijf, zes jaar in de jaarlijsten waargenomen kan worden, gerelateerd is aan een toenemend aantal ‘generalisten’ onder de deelnemers. (En hoewel ik mij hier uiteraard slechts met kwantitatieve gegevens mag bezighouden en mijn persoonlijke indruk van albums en deelnemers buiten deze analyse moet houden, kan ik mij toch niet helemaal onttrekken aan de indruk dat het aantal specialisten onder de deelnemers afneemt, wat in dit geval dus de eensgezindheid in de hand werkt.)

Swans - To be kind

Swans – To be kind

Van de 262 albums die in totaal genomineerd werden door de samenstellers van 2014, werden er maar liefst 168 slecht één keer genoemd. Dat is 64%. Op albums die slechts één keer genoemd worden is geen serieuze statistiek te beoefenen. Één keer genomineerd worden is niet zelden een toevalstreffer. Wat ons bij de jaarlijsten interesseert zijn die albums waarover wellicht niet alle, maar toch veel samenstellers het eens zijn. Kortom 168 van de 262 genomineerde albums zijn eigenlijk slechts ‘ruis’ binnen de statistiek.

Tabel 5 geeft aan dat het percentage ruis tamelijk constant is gebleven over de laatste vijf jaar – ook de jaren daarvoor was het een of twee procentjes meer of minder. Echter geen significante verschillen.

Tabel 5
Jaar Percentage ruis
2010 70
2011 67
2012 66
2013 67
2014 64

Maar doen de 94 resterende albums, die dus twee of meer keer genomineerd zijn, er dan allemaal statistisch wel toe? Ook daar kun je serieuze vraagtekens bij zetten. Om dat te kunnen doen moet je echter eerst enkele premissen vaststellen:

Statistiek berust op cijfers. ‘Harde cijfers’ wordt wel gezegd. En ‘cijfers liegen niet’. Maar cijfers kunnen wel onzin verkopen als je ze niet op de juiste wijze interpreteert. En die interpretatie berust op aannames en afspraken die in de logica ook wel ‘premissen’ worden genoemd. Die premissen moeten helder en eenduidig zijn voor degenen aan wie je de resultaten vaan je statistiek presenteert. Als dat niet heet geval is, dan worden de resultaten vrijblijvend.
In het geval van de Oorjaarlijst ga ik daarom van de volgende aannames uit: Uit de individuele lijstjes van 55 recensenten, journalisten en programmeurs – kortom ‘insiders’ – wordt de lijst samengesteld van albums die er toe doen. Stel nu eens dat je als premisse vaststelt dat het minimumcriterium waarbij een album interessant en relevant genoeg is om verder over te discussiëren is, dat dat album door tien procent van de samenstellers wordt genomineerd (wat dus betekent dat negentig procent van de samenstellers de plaat in kwestie niet eens de moeite vindt om ook maar op de tiende plaats in zijn of haar lijstje te zetten!). Daarmee is de lat voor een ‘relevant album’ toch behoorlijk laag gehouden, lijkt mij.
Door minimaal tien procent genomineerd betekent in het geval van de Oorjaarlijst 2014: door 5,5 samenstellers, dat is afgerond 6 samenstellers. Een blik op de Oor-lijst (lijst 1) leert dan dat onder plaats 15 (St Vincent) een dikke streep moet worden getrokken.
Er is natuurlijk nogal wat voor te zeggen om hier de alternatieve, op nominaties gebaseerde ranglijst (lijst 2) te gebruiken. Die levert in dit geval dezelfde 15 albums in een iets andere volgordenop.
In tabel 6 zie je hoeveel albums er de afgelopen jaren door minimaal 10% van de respondenten werden genomineerd.

Tabel 6

jaar Aantal albums door minimaal 10% van de respondenten genomineerd
2007 22
2008 12
2009 14
2010 21
2011 16
2012 15
2013 17
2014 15

Hoe meer albums door minimaal 10% van de respondenten genomineerd wordt, des te eensgezinder de groep. Dit is een andere wijze om de eensgezindheid van de deelnemende respondenten uit te drukken. Maar hier betreft het eensgezindheid met betrekking tot albums die ‘relevant’ waren voor in het betreffende jaar, niet de ‘absolute topper’. De tabel laat een wat schommelend verloop zien en vergelijking met tabel 4 leert dat de conclusie m.b.t. ‘eensgezindheid’ niet op basis van een enkel gegeven zoals gedefinieerd in tabel 4 of 6 kan worden gebaseerd.

Temples - Sun Structures

Temples – Sun Structures

Nog even terug naar het uitgangspunt voor tabel 6: Dat een album door 10% van de respondenten wordt genomineerd (en dus door 90% geheel wordt genegeerd) is toch wel een absolute minimumeis die je aan een album mag stellen om bij consensus ‘relevant’ te zijn, was mijn uitgangspunt. Alles daaronder is – hoe boeiend of spannend muzikaal ook – als statistisch materiaal amper interessant. Dat wordt onderstreept als we straks naar de concrete puntenaantallen en de al dan niet significante onderlinge verschillen gaan kijken. Vandaar dat het vanuit statistisch oogpunt onzin is om verder te kijken dat de eerste twintig albums van de Oorlijst. De tien albums die als ‘Bubbling Under’ worden genoemd zijn statistisch inwisselbaar en goed beschouwd geldt dat ook al voor de albums op de plekken 16 t/m 20. De lijst door laten lopen tot bijvoorbeeld plaats 40, wat in het verleden wel eens gbeurd is, levert alleen maar verwarring en flauwekul op.

Maakt verder niet uit, want het zijn natuurlijk de bovenste platen die er echt toe doen. Maar hoeveel doen ze er toe? Ik heb hierboven mijn ‘één op tien’ premisse voor relevantie toegelicht. Laten we het echter nu eens niet over ‘relevante’, maar over ‘echt belangrijke’ platen hebben. Albums waar werkelijk over gesproken wordt in het popcircuit. Albums waarover iedereen wel een mening heeft. Wat voor criterium leg je daarvoor aan?
Dat is natuurlijk wederom een aanname, een premisse. Omdat ik deze analyse in m’n eentje zit te typen is het volgende niet echt een ‘consensus’, maar ik hoop dat de lezer mijn aanname begrijpt. Ik stel, evenals voorgaande jaren, voor dat een ‘belangrijk album’ een album is dat door minimaal één op de vier samenstellers überhaupt de moeite waard wordt gevonden om in zijn of haar eindlijstje op te nemen. Dat impliceert dus dat drie van de vier samenstellers zo’n album niet noemen. Ook die lat is niet onredelijk hoog gelegd, lijkt mij. Dan zijn de belangrijke albums die albums die in 1014 minimaal 13,75 keer, dus afgerond 14 keer genomineerd werden.
Dat blijken er twee te zijn – The War on Drugs en Typhoon. Evenveel als in 2013, toen Nick Cave en Arcade Fire 14 of meer nominaties kregen. Tabel 7 geeft het aantal door minimaal 25% van de deelnemers genomineerde albums over een aantal jaren.

Tabel 7
jaar Aantal albums dat door minstens 25% van respondenten genomineerd is
2007 3
2008 3
2009 2
2010 2
2011 1
2012 1
2013 2
2014 2

Dat levert dus een vrij constant patroon op waaraan amper conclusies te verbinden zijn.

Moodymann - Moodymann

Moodymann – Moodymann


Een andere vraag in dit verband luidt: Hoeveel consensus bestaat er met betrekking tot de nummer één positie? Je zou het aantal nominaties gedeeld door het aantal samenstellers het ‘nominatie quotiënt’ (NQ) kunnen noemen. En het aantal behaalde punten gedeeld door het maximaal haalbare aantal punten de ‘score quotiënt’ (SQ). Hoe hoger de quotiëntwaarde des te meer consensus er bestaat m.b.t. die plaat als ‘plaat van het jaar’. De maximaal haalbare waarde voor zowel SQ als NQ is dan 1,0. De nummer één albums van de afgelopen acht jaar en hun quotiënten zijn weergegeven in tabel 8:

Tabel 8:
Jaar Album SQ NQ
2014 The War on Drugs 0,31 0,47
2013 Nick Cave and the bad Seeds 0,21 0,29
2012 Alt-J 0,21 0,31
2011 PJ Harvey 016 0,22
2010 Arcade Fire 0,21 0,32
2009 The XX 0,18 0,27
2008 TV on the Radio 0,21 0,33
2007 Arctic Monkeys 0,20 0,28

Daarmee kan de meest nadrukkelijke conclusie vaan deze analyse getrokken worden: The War on Drugs is de meest overtuigende nummer één in de Oorjaarlijst van de acht jaargangen dat ik die lijst statistisch doorneem. De verschillen met de lijstaanvoerders van voorgaande jaren zijn stuk voor stuk significant en onmiskenbaar, zowel wat SQ als wat NQ betreft.

Ook over de significantie van het rangorde in de top 20 van 2014 kan weldegelijk het één en ander opgemerkt worden:

Bij de statistiek van wetenschappelijke meetresultaten is ‘significantie’ een belangrijk begrip. Een rekenmachine is een dom ding. Die berekent alle mogelijke gegevens die je er in stopt tot talloze cijfers na de komma. Maar je hebt alleen wat aan gemeten verschillen als je zeker weet dat dat verschil niet het gevolg is van toeval of van onnauwkeurigheden in de meetmethode of –apparatuur. Als je iedere dag je loopje naar de supermarkt met een stopwatch meet en aan het eind van het jaar berekent dat je er 10 minuten en achtenveertig seconden over doet, en je doet het jaar daarop hetzelfde en komt dan uit op gemiddeld tien minuten en zevenenveertig seconden, dan betekent dat niet dat je sneller bent gaan lopen. Dat is onzin. Misschien heb je dat eerste jaar een keer even tussendoor je veters teut gestrikt of een was je een moment afgeleid door een etalage waar je bent blijven kijken. Die ene seconde is geen significant verschil.
En er is nog iets. Als je in de biologie de verontreiniging van slootwater wilt meten moet je er rekening mee houden dat ook water dat we als ‘schoon’ beschouwen nog een zekere hoeveelheid verontreiniging bevat.
Daarbij kan er weldegelijk een zorgvuldige en betrouwbare meting zijn verricht, die echter geen enkele relevantie blijkt te hebben binnen de context van de dagelijkse realiteit. Als Jan en Piet bijvoorbeeld beiden gretige bierdrinkers zijn, dan zou je, als je het dagelijkse cafébezoek van het duo dertig jaar consequent laat begeleiden en registreren door een laborant – en ook nog eens afspreekt dat ze thuis nooit drinken – misschien kunnen vaststellen dat Jan na 9,4 en Piet na 9,6 glas bier dronken is. (En dan gaan we er bij deze hypothese er voor het gemak even van uit dat Jan en Piet hetzelfde wegen, hetzelfde eetpatroon hebben, etc). Dan kun je uit een dergelijk dertig jaar durend, op meer dan tienduizend cafébezoeken gebaseerd onderzoek toch niet afleiden dat Jan vanavond in de kroeg eerder dronken is dan Piet. Als ze namelijk hun tiende glas achterover geslagen hebben zijn beiden teut. Tijdens een avondje stappen zegt een van de twee hoogstens ‘Ik sla een rondje over’, maar nooit ‘Ik drink van dit glas maar eens 0,2 deel minder.’

Beck - Morning Phase

Beck – Morning Phase

Zo is het ook met de individuele jaarlijstjes ten opzichte van de Oor-jaarlijst. Ik heb al gesteld dat albums die maar door één enkele deelnemer genomineerd zijn als ‘statistische ruis’ moeten worden opgevat. Maar als je die aanname doortrekt, betekent dat ook dat je eigenlijk niet van een significante afstand tussen twee albums kunt spreken als die kloof moeiteloos door één deelnemer teniet kan worden gedaan. Anders gezegd: Als blijkt dat bij een totaal van 55 deelnemers er één voor kan zorgen dat een album vijf of meer plekken op de ranglijst stijgt of daalt, dan kun je je afvragen of er wel sprake is van significante onderlinge verschillen binnen die lijst. Kijken we naar de Oorlijst van dit jaar (lijst 1), dan blijkt dat één enkele nieuwe deelnemer Flying Lotus van plaats 13 naar plaats 8 kan laten stijgen.
Een redelijke minimum eis lijkt mij daarom dat een verschil significant is als het niet door één extra samensteller teniet kan worden gedaan. Eén extra samensteller staat voor een verschil van maximaal 10 punten.

Een blik op de Oor-jaarlijst 2014 leert dan dat de kloof tussen nummer 1 en 2 – The War on Drugs en Typhoon – maar liefst 61 punten bedraagt. Dat is zondermeer een significant verschil. Een enorm verschil zelfs. Er zijn minimaal zeven extra deelnemers nodig die Typhoon nomineren– waarvan er dan ook nog zes de rapper op 1 in hun lijstje zetten – on The War on Drugs voorbij te streven.
Ook de afstand tussen Typhoon en nummer drie, Spoon, is met 28 punten verschil ruimschoots significant. Daarna wordt het wat meer diffuus. Damien Rice zou theoretisch met één extra deelnemer Spoon voorbij kunnen streven, maar de Swans kunnen de sprong naar nummer drie niet maken – hooguit naar nummer vier.
Tussen Temples op plek zes en FKA Twigs op plaats veertien echter, zijn de verschillen zo klein dat één deelnemer een album twee tot vijf plaatsen kan laten stijgen of dalen.

In gewoon boerenkool-Hollands betekent dat dat de rangorde in de Oorlijst vanaf Temples het best met een flinke korrel zout kan worden genomen. Het had bijna het gevolg kunnen zijn van het werpen met een dobbelsteen. Maar dat betreft dan alleen de volgorde. Want dat ze in de lijst staan heeft weldegelijk enige relevantie omdat ze tot en met plaats vijftien – St Vincent – zoals we eerder vaststelden door minimaal 10% van de lijstdeelnemers zijn genomineerd.

Samengevat levert dit de volgende realistische conclusies op m.b.t. de Oorjaarlijst 2014:
De cijfers over het totaal aantal genomineerde albums door de deelnemende respondenten, in combinatie met de ‘ruis’ – slechts 1 keer genoemd – leert dat het deelnemersveld aan journalisten, boekers, dj’s, etc in grote lijnen net zo gemêleerd (of homogeen) was als de voorgaande zeven jaar. Maar voorzichtig mag wel vastgesteld worden dat de deelnemers het een ietsepietsje meer met elkaar eens waren, omdat het aantal ‘unieke albums’ per deelnemer lager is.
Buiten kijf staat echter de overtuigende nummer één positie van The War on Drugs. Nog niet eerder werd de afgelopen acht jaar een koploper van de Jaarlijst zo breed door de deelnemers gedragen. Bijna de helft van de deelnemers nomineerde het album. Behalve The War on Drugs maakte ook Typhoon een album ‘dat er toe doet’, want Lobi da Basi werd door meer dan een kwart van de deelnemers genomineerd.
Spoon, Damien Rice en Swans zijn wat relevantie betreft nog bonafide subtoppers, maar vanaf plek zes – Temples – mag er aan de onderlinge rangorde niet zoveel waarde meer worden gehecht. Ruis en willekeur maken het onmogelijk de in Oor afgedrukte lijst vanaf plek zestien nog enigszins statistisch serieus te nemen.

Avi Buffalo - At best cuckold

Avi Buffalo – At best cuckold


En verder nog:

Er zijn nog wat andere aardige conclusies te trekken, zonder inhoudelijk op de keuzes van de samenstellers in te hoeven gaan. De ‘meest representatieve’ en de ‘meest excentrieke’ samensteller, bijvoorbeeld.
Wat eerstgenoemde betreft: Die titel moet dit jaar verdeeld worden tussen Peter van Brummelen van Het Parool, Just Fontein van De Volkskrant, Henk Kanning van Pinguin Radio en Annemieke Schollaardt van 3FM. Zij allen hadden ‘nul’ unieke albums in hun lijstje; andersom gezegd: zij allen hebben hun lijstje samengesteld uit albums die ook al door minstens één andere deelnemer zijn genomineerd.
(Maar liefst twaalf deelnemers hebben in 2014 één ‘uniek’ album genomineerd en zijn daarmee ook behoorlijk representatief: Mieke Atema, Martin Cuppens, John Denekamp, Tom Engelshoven, Fiona Fortuin, Jerry Goossens, Timo Pisart, Menno Pot, Roosmarijn Reijmer, Joris Rietbroek, Atze de Vrieze en Leo Blokhuis). Roosmarijn en Menno scoren al jaren hoog in deze categorie.

Aan de andere kant van het spectrum vinden we dan de meest excentrieke deelnemers. Dat zijn uiteraard de respondenten met de meeste unieke nominaties. Er is dit jaar – evenals de vier voorgaande jaren! – geen enkele respondent die tien albums in zijn/haar lijstje had staan die verder door niemand genoemd werden. In 2013 was er nog één deelnemer – Oor-encyclopedieveteraan en progrockliefhebber Frans Steensma – met negen unieke nominaties. Steensma doet dit jaar echter niet mee. De meest ‘excentrieke’ deelnemers van 2014 hebben 8 unieke albums in hun lijst. En dat zijn Klaas Knooihuizen van Oor en HP/De Tijd, René Passet van Oor, 3voor12 en DJ Broadcast en Kees Smallegange van Oor en Jazzism. Met 7 unieke albums volgen dan René Megens en Swie Tio.

Tenslotte nog enkele trivia:

Op een totaal van 262 genomineerde albums waren er in 2014 33 van eigen bodem. Dat is 12,6% In 2013 was dat nog 10,1%, in 2012 8, 6 % en in 2011 7,7 %. Met een slag om de arm mag je volgens mij toch wel zeggen dat er enige significante groei zit in de hoeveelheid Nederlandse muziek die de afgelopen jaren is genomineerd. In dat percentage zitten echter nogal wat albums verdisconteerd die door slechts één deelnemer genomineerd zijn – en in feite dus slechts ‘ruis’ representeren. Maar dat geldt uiteraard voor alle genoemde jaren.
In de top-20 van de Oor-jaarlijst is van die toename overigens nog niet zoveel te merken. Tabel 9 geeft het aantal albums van Nederlandse orgine in de top-20 van de Oorjaarlijst, bezien over een aantal jaren.

Tabel 9
jaar Aantal NL-albums in Oor top-20
2008 1
2009 3
2010 0
2011 1
2012 2
2013 1
2014 2

Een unicum is dit jaar echter wel de positie van Typhoon. Nog nooit eerder haalde een Nederlands album de tweede plek in de Oorjaarlijst.
Ik heb voor de aardigheid even teruggebladerd: Spinvis haalde zowel in 2002 als in 2011 de derde plaats. Johan haalde in 2006 een derde en in 2001 een vierde plaats. Urban Dance Squad haalde in 1989 met het debuutalbum een derde plaats. Moss haalde in 2009 een vierde plaats. En Herman Brood stond kwam in de eindlijst van 1978 met zijn Shpritsz uit op plek 5. Maar dat zijn dan ook alle hoge Nederlandse noteringen (top-5) in ruim veertig jaar Oorjaarlijsten.

Nog een aardig – hoewel niet sensationeel – cijfer met betrekking tot de organisator van de poll: Oor. Bij de 55-pollrespondenten zitten 26 medewerkers en redactieleden van Oor. Dus iets minder dan de helft van het deelnemersveld. Als je hun stemgedrag apart bekijkt, zie je dat The War on Drugs ook bij hen met afstand op één staat met 67 punten. Maar dat onder Oorscribenten Swans (47p) op plek twee staan, gevolgd door Spoon (38p) en Temples (27p), met Typhoon (25p) pas op de vijfde plaats en Damian Rice (21p) op zes.

Alt-J - This is all yours

Alt-J – This is all yours

Een laatste feitje: Bij de 55 samenstellers van de jaarlijst 2014 zaten zes vrouwen. Bijna elf procent. Dat is weinig. Vorig jaar namen er echter vijf vrouwen deel, in 2012 vier, evenals in 2011 toen er nog 60 deelnemers waren. In 2010 waren het er drie en in 2009 was er nog geen enkele. Kortom, hoe gering ook, er zit heel voorzichtig groei in het aandeel van vrouwen aan de jaarlijstjes. Natuurlijk is ‘lijstjes maken’ een typisch mannending, zoals alle triviahobbies. Maar dat neemt niet weg dat een andere man-vrouw verdeling bij de deelnemers ongetwijfeld een andere eindlijst had opgeleverd. Dat bewijst bijvoorbeeld onderzoek naar het stemgedrag bij de jaarlijkse Top-2000. Daaraan nemen ook nog altijd significant meer mannen dan vrouwen deel, maar het aantal vrouwen is daar ook als ‘minderheid’ nog zo groot dat er weldegelijk statistiek op valt te bedrijven. Dat is bij de vrouwelijke deelnemers aan de Oorjaarlijst niet op een betrouwbare wijze mogelijk.

Genoeg gerelativeerd. Plaatjes draaien. En lekker discussiëren over die plaat die niet in de lijstjes voorkomt, maar toch echt wel de aller- aller- allerbeste van 2014 is. Want om dat voor zichzelf vast yte stellen heeft niemand een lijstje nodig, laat staan een rekenmachine.

Tot volgend jaar maar weer,

Peter Bruyn

(Vragen? Opmerkingen? Foutje ontdekt in het rekenwerk? Aarzel niet mij te mailen: pbruyn@worldonline.nl )