Skip navigation

HOUTREDE 2008

Stadgenoten,

Het gaat goed met Haarlem. Of dat te danken is aan ons besturend college van democraten, socialisten en vrijheidslievenden, of veroorzaakt wordt door omstandigheden van algemenere aard laat ik in het midden, maar vooralsnog wil ik onze lokale bestuurders deze veer met alle plezier toesteken.
We leven als Haarlemmers in relatieve welvaart. Met ongemakken van bescheiden aard: een tent die instort tijdens Haarlem Jazzstad. Een plaatselijke topsporter die ditmaal geen medaille haalt bij de olympische spelen. Luxe-ongemakken zijn het.

– Ondertussen boffen we dat de stad zes miljoen Euro extra krijgt in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteunig – wat toch wat zalf is op de pijn van de zorg. Want hoe we ook pronken met onze hippe café’s en culinaire feestjes, met iets elementairs als hulp voor zieken en ouderen hebben we een stuk meer moeite.
– Het is mooi dat Haarlem extra geld wil steken in het opknappen van scholen, nadat er eerst ook al vier architectonisch in ieder geval prachtige theaters zijn neergezet.
– Ons woningbestand, hoewel nog wat krap, hangt niet van verkrotting aan elkaar.
– We hebben economisch weinig reden tot klagen. We bedrijven als Haarlemmers vooral een kennis-economie waarbij de concurrentie van goedkope producten uit China of India niet voortdurend op de loer ligt.
– En, zolang we niet op alle slakken zout leggen, is Haarlem wat persoonlijke vrijheid en veiligheid betreft een prettige stad om in te wonen.

Dat is één kant van het verhaal. Iedereen die wel eens verder komt dan de stadsgrenzen moet echter kunnen vaststellen dat de prijs voor die relatieve rust en welstand hoog is. Kort door de bocht gesteld: Haarlem is saai. Ontzettend saai en karakterloos. In meerdere opzichten. Haarlem heeft in den lande het imago bezadigd, tuttig en bejaard te zijn. Een slapend tuindorp.
Dat was nog niet zo erg als we er eerlijk voor uit zouden komen. Bij de rand van de stad en op de stations in plaats van de bekende corso- en braderie-aankondigingen een groot bord met de tekst: ‘Welkom in Haarlem – de saaiste stad van Nederland’. Het zou ons niet minder saai maken, natuurlijk. Maar in ieder geval tonen we karakter.
Het stadsbestuur spreekt echter al jaren andere ambities uit. Haarlem moet ‘creatief’ worden. Een bolwerk van culturele energie en artistieke ondernemers. Een stad die wordt voortgestuwd door bruisend, jeugdig élan. Hele studie-conferenties zijn er aan gewijd.
Die ambitie onderschrijf ik volmondig. Ik behoor niet tot diegenen die Haarlem als één groot Godfried Bomans- en Anton Pieck-relikwie wensen te zien. Maar die creatieve ambities, dat élan, dat streven naar verjonging waarbij men misschien een enkele keer het risico van roekeloosheid op de koop toe neemt – die verwacht ik dan toch minstens ook in het beleid van het stadsbestuur te kunnen ontdekken.

Mogelijkheden genoeg, zou je denken. Laat ik beginnen met de zorg. Omdat het zo’n schrijnend voorbeeld is. En tegelijk zo tekenend voor Haarlem.
Dat de vanuit ‘Europa’ verordonneerde aanbesteding van publieke taken, die in een beschaafd land door de overheid geregeld zouden worden, tot krankzinnige en even zo vaak gênante situaties leidt ga ik hier niet toelichten. Dat een wethouder, die in deze stad nota bene op socialistische grondslag haar werk doet, zich aan handen en voeten laat binden door zo’n regelgeving, zit mij echter meer dwars. Een regelgeving, die van nut kan wezen om maffiosi aannemers op Sicilië of corrupte dorpswethouders in Roemenië de wind uit de zeilen te nemen, maar toch nooit bedoeld om een al vele decennia bevredigend werkend sociaal stelsel in Nederland te saboteren.
Toegegeven er zal misschien een enkele liberale bestuurder in het college zitten die minder moeite heeft met de marktwerking in de zorg. Maar laat die dan door de democraten, die het Haarlemse college immers voorzitten, tot de orde worden geroepen met de mededeling dat hij zijn vrije markt-idealen toch beter kan uitleven in de golfballen- of sushi-branche.
Van een creatief college verwacht ik ook een creatief omgaan met de wetgeving – wat iets anders is dan wetten ontduiken. In de juridische wereld bestaat naast ‘wetten’ ook nog iets als ‘rechtvaardigheidsgevoel’. Een kostbare troefkaart die je niet te pas en te onpas overal mag inzetten, maar die wel een motivatie kan zijn om nog een beetje harder te zoeken naar creatieve en tegelijk legale oplossingen. Als ondernemers bij iedere nieuwe wetgeving weer hun kruip- of sluipweg weten te vinden – denk aan de caféhouders die hun zaak lachend openstellen voor rokers – dan moet een beetje creatieve bestuurder dat toch ook lukken, lijkt mij.

De tijd ontbreekt om hier op alle beleidsterreinen in te gaan. Over onderwijs en volkshuisvesting in relatie tot creativiteit zou ik veel willen zeggen, maar ik beperk mij ertoe alleen even op Schalkstad te wijzen. Een geheel nieuw te bouwen stadswijk. Een onbeschreven blad. Stadbestuur grijp die kans. Doe eens iets waar de buitenwereld echt van opkijkt. Iets on-Haarlems. Laat van mijn part Wim T Schippers zijn honderd meter hoge bronzen papagaai, die hij maar niet in de Rotterdamse haven geplaatst krijgt, op het centrale Schalkstad-plein zetten. Binnen tien jaar zijn de kosten ervan aan prentbriefkaarten en andere souvenirs terug verdient.

Of de cultuur. Daar is de situatie in feite zo absurd, dat het schreeuwt om creatieve oplossingen. Vier schitterende theaters, maar nauwelijks geld om ze te programmeren. Men kijkt in Haarlem blijkbaar liever vanuit een nieuwe luxe stoel naar een leeg podium dan dat men op een klapstoel een prachtvoorstelling ziet.
Maar het kan nog gekker: Deze zomer trok het gemeentebestuur twee ton uit om Haarlem middels een festival op de Grote Markt cultureel op de kaart te zetten. Dat geld werd in figuurlijke zin gewoon door het toilet gespoeld. Het was zo mooi geweest als het gemeentebestuur werkelijk vertrouwen had gehad in de creativiteit van haar eigen professionals: Geef de programmeurs van Philharmonie, Toneelschuur, Frans Hals Museum en Patronaat ieder vijftigduizend Euro om hun artistieke hartewens te verwezenlijken en ze zetten stuk voor stuk een voorstelling, concert of performance op de Grote Markt waar niet alleen nationaal, maar ook van over de grenzen met bewondering naar gekeken wordt. Zo simpel is het.

Het terrein waar het stadsbestuur zelf zich het meest kan profileren is de duurzaamheid. Iedereen zorgt immers zo goed mogelijk voor zichzelf en voor z’n naasten. Maar als het gaat om volgende generaties en de verdere toekomst dan verlaten we ons op de overheid. Maar de overheid moet – namens ons – die verantwoordelijkheid dan wel durven nemen. Krasser uitgedrukt: In een samenleving die onbetwistbaar liberaler wordt en waarin mensen meer verantwoordelijkheid krijgen voor hun eigen bestaan, verschuift de taak van de overheid naar het lange termijn denken. Naar het vinden van duurzame oplossingen.
Juist hier is er voor creatieve geesten veel te halen en kan een stad zich als jong, dynamisch en creatief profileren. Vier voorbeelden.
– Haarlem autovrij of autoluw, u zegt het maar. Als binnenstadbewoner en fietser heb ik natuurlijk een fantastisch jaar achter de rug: de Gedempte Oudegracht voor mij alleen. Maar hoe verder? Wat schieten onze kinderen of kleinkinderen op met een ondergrondse buslijn die het hele centrum misschien vijf minuten sneller doorkruist? Het gaat mij niet primair om de kosten, die volgens de beramingen zo’n 800 miljoen Euro zouden bedragen, wat over tien tot twintig jaar gegarandeerd tot het drie of viervoudige zal zijn opgelopen. Onrealistisch vind ik het idee dat tegen de tijd dat die tunnel klaar is – over vijftien of twintig jaar – onze samenleving en mobiliteit nog steeds vergelijkbaar is met die van vandaag. In Haarlem wordt serieus gepraat over een ‘bustunnel’ terwijl al gewerkt wordt aan eenpersoons vliegtuigjes en micro-helicopters waarmee men van kantoortoren naar kantoortoren kan jumpen om zo de files te ontwijken. Aan een bustunnel heb je anno 2050 volgens mij net zoveel als vandaag de dag aan een trekvaart. Ik zeg niet dat we over enkele decennia allemaal in navolging van Star Trek ‘Beam me up, Scotty!’ roepen en dan gedematerialiseerd kilometers overbruggen. Maar die bus staat dan volgens mij wel bij Bomans en Pieck in het museum.
Nee, dan Parijs. Daar is sinds een jaar Velib in werking, de ‘vrije fiets’ die heel wat beter blijkt te functioneren dan onze romantische Witte Fiets uit de jaren zestig. Maar liefst twintigduizend grijze Velib fietsen, verdeeld over zo’n vijftienhonderd verdeelpunten in de stad. Ik was afgelopen week nog in Parijs en je ziet ze werkelijk overal. Het geheim van het succes zit ‘m in twee dingen: Het eerste half uur is gratis en daarna loopt het tarief snel op, wat een efficiënt en snel terugzetten stimuleert. En door te werken met een magneetpasje kan er in dit digitale tijdperk probleemloos worden vastgesteld wie er wanneer en met welke fiets vandoor is. Ik zeg niet dat systeem ook in Haarlem automatisch werkt, maar het getuigt in ieder geval van een creatieve manier van denken.

– Duurzaamheid en vermindering van energiegebruik gaan samen. Ik denk aan de tienduizenden forensen die iedere ochtend vanuit Haarlem vertrekken om in Amsterdam, Leiden of Den Haag in een schoenwinkel, op een school of als ambtenaar gaan werken. En tegelijk die tienduizenden die iedere ochtend vanuit Amsterdam, Leiden of Den Haag naar Haarlem komen om hier in een schoenwinkel, op een school of als ambtenaar gaan werken. Zowel met de auto als met de trein. Dat gaat natuurlijk helemaal nergens over. Daar is zelfs het bedrijfsleven bij monde van ex–vakbondsman en huidig Taskforce mobiliteitsmanager Lodewijk de Waal achter gekomen. Hij concludeerde na een studie die ongetwijfeld enkele tonnen kostte, hetzelfde als ik bij een biertje: Kom met een forse forensen-tax en een aangename ‘Baan om de hoek’-premie. Natuurlijk gaat er over dit idee landelijk nog jaren gesteggeld worden. Maar waarom zou Haarlem niet gewoon eens het voorbeeld kunnen geven? Dat levert concrete energiebesparing, publiciteit voor de stad en bewustwording op.

– Nog een voorbeeld waarbij het mes duurzaam aan meerdere kanten snijdt. Telemarketing. Niets anders dan een agressieve vorm van reclame voor een product dat een mens normaliter niet nodig heeft of reeds van een andere leverancier betrekt. U en ik zijn natuurlijk verstandige mensen. Wij gooien de hoorn op de haak als wij door een telemarketeer worden gebeld. Tallozen doen dat echter niet. Meestal zij die financieel al in de knel zitten en zich met mooie verhalen over voordeeltjes laten ompraten. Wie eerlijk is geeft toe dat het gewoon een immorele bedrijfstak is. Haarlem zou een serieuze stap zetten door zich als eerste stad in Nederland ‘Telemarketingvrije gemeente’ te verklaren. Zowel passief als actief. Actief door in bestemmingsplannen op te nemen dat in vrijkomende bedrijfsruimtes geen dergelijk orderneming mag worden gevestigd. En passief door collectief alle 023-nummers voor telemarketing te blokkeren. Natuurlijk staat het iedere Haarlemmer vrij om wel door dit soort telefonische rattenvangers van Hameln gebeld te worden, maar dan moet hij of zij zich gewoon daarvoor opgeven – en niet andersom zoals nu het geval.

– En als laatste voorbeeld nog zo’n vorm van verspilling. Niet alleen van energie – en dus geld – maar ook van menselijke waardigheid. De verkwanseling van het postbedrijf. Ooit zag je tweemaal daags de postbode langs komen – omdat er nog tweemaal daags post besteld werd. Telefoon en internet hebben het briefverkeer een aardige knauw gegeven – de tijd staat niet stil. Des te merkwaardiger dat je vandaag de dag op één ochtend maar liefst vier verschillende postbodes in je straat kunt zien. Van vier verschillende bedrijven. Niet zelden lopen ze parallel dezelfde wijk en allemaal twee of drie poststukken per straat bezorgend tegen een fooi waarvan men in de top van TNT – voorheen PTT – zegt dat die redelijk is omdat je postbode niet meer als een ‘baan’ of ‘vak’ mag beschouwen. Het is een bijverdienste geworden. Een schandalige situatie, zowel voor werkzoekenden als voor de mensen die dit werk doen. Als je met één enkele brief een straat in fiets en je ziet je collega’s van de konkurrent hetzelfde doen, dan voel je je gewoon ongelofelijk voor joker staan. Een creatief stadsbestuur zorgt ervoor dat er aan deze onzin een eind komt en creëert een constructie waarbij postbode of brievenbesteller gewoon weer een fatsoenlijk beroep kan zijn. Desnoods met een TNT-pet, een Sandd-jas, een Selekt-tas en een Paswerk-fiets als de ‘vrije markt’ dat per se wil.

Dit alles zijn slechts voorbeelden waarmee ik wil aantonen dat een Haarlem dat bruist van creatieve energie niet eenvoudig een kwestie is van het binnen de stadsgrenzen lokken van reclamebureaus en mediabedrijven. Sterker nog: je trekt juist reclamebureaus en mediabedrijven door een beleid te voeren dat anders is dan dat in andere steden en waarbinnen die reclamebureaus en mediabedrijven zich ook als ‘anders’ kunnen profileren. Een ‘hip’ bedrijf wil zich graag associëren met een ‘hippe stad’. Een kwestie van voorwaarden scheppen en je niet verschuilen achter je ligging in de schaduw van Amsterdam. Integendeel: Think globally, act locally. Zo zet je Haarlem op de kaart.

En wie zal dat betalen? Creatieve oplossingen hoeven niet zoveel te kosten – daar zijn het creatieve oplossingen voor. En de praktijk leert dat mensen best willen betalen als ze het idee hebben dat ze daarvoor ook kwaliteit krijgen. Het bewijs wordt geleverd door een nieuwe grutter aan de Gedempte Oude Gracht waar ik mij verder niet over wil uitspreken, maar die haarfijn aantoont dat hogere prijzen de winkel soms zelfs alleen maar sneller doet volstromen.

Haarlem heeft een imagoprobleem. In Haarlem geldt vaak: Als het niet kan zoals het moet dan moet het maar zoals het kan. En met die mentaliteit krijg je nooit een creatieve of jonge uitstraling. Want zowel creatieven als jongeren willen altijd wat volgens de oncreatieven en ouderen niet kan. En ze willen het toch.
Gelukkig leert ook de geschiedenis van de Spaarnestad dat niet alle Haarlemmers zich door dat imago laten leiden. En dan denk ik niet alleen aan Kenau en Hannie Schaft, maar ook aan de kraakbeweging die in deze stad al sinds de vroege jaren zeventig actief is. Aan de milieuactivisten die voor een belangrijk deel vanuit Haarlem in de jaren zeventig en tachtig blokkadeacties tegen het vervoer van radioactief afval in Noord-Holland organiseerden maar ook nauw betrokken waren bij die in Borssele en Dodewaard. De acties tegen de uitbereiding van Schiphol. Maar ook recentere Haarlemse initiatieven als de Weggeefwinkel, Reageerbuis – onze plaatselijke journalistieke luis in de pels – en tal van spontane culturele initiatieven. Dat alles gaat dwars tegen de tuttigheid in die voor de buitenwereld reeds decennialang als een sluier over Haarlem hangt. Wat zij kunnen zouden ook de bestuurders van deze stad kunnen. Het is alleen een kwestie van willen en de middelen aan het doel durven aanpassen: Haarlem Jazzstad, Haarlem Winkelstad, Haarlem Culinaire Stad, Haarlem Slaapstad of ook Haarlem Creatieve Stad en Haarlem Voorbeeldstad.

Peter Bruyn

Geschreven en uitgesproken op uitnodiging van het Mondiaal Café Haarlem, 16 september 2008.

%d bloggers liken dit: