Skip navigation

Misha Mengelberg, zeventig en nog altijd dwars:
,,Een soort van flauwigheid waarvan ik dacht: Hé, dat is wel aardig!’’


,,Of mensen mijn muziek nou mooi of interessant vinden, dat kan mij niets schelen,’’ zegt Misha Mengelberg. ,,Dat zal mij echt worst wezen. Iedereen mag alles zeggen over mijn muziek. Als ik het maar niet hoef te geloven.’’
Hij zegt het vriendelijk, maar ook een beetje pesterig. Helemaal Mengelberg. Even daarvoor is hij het restaurant binnengekomen, heeft zijn pet afgezet, een een handvol samengepropte papieren zakdoekjes uit z’n broekzak gehaald, één voor één opengevouwen en vóór zich op tafel gestapeld. Zo nu en dan pakt hij er een om zorgvuldig zijn neus te snuiten.
,,Het enige wat mij echt interesseert is of ik een beetje uit die piano heb kunnen halen wat ik in mijn hoofd had,’’ vervolgt hij. ,,Als dat lukt, dan is een concert voor mij geslaagd.
Komende zondag wordt hij zeventig, Misha Mengelberg. En dat wordt een weekend lang gevierd in het nieuwe BIM-huis. Met natuurlijk de ICP, de Instant Composers Pool, het improvisatie-orkest dat hij in 1967 samen met Han Bennink en Willem Breuker oprichtte. En met reuzen uit de internationale impro-wereld, zoals de saxofonisten Anthony Braxton en Peter Brötzmann.

André Rieu

Een volksheld als Hans Dulfer of André Rieu is Mengelberg nooit geworden, daarvoor is de muziek van de Amsterdamse pianist tot op de dag van vandaag te dwars. Dat zat er trouwens al vroeg in. Hij was nog een kind toen zijn vader, Karel Mengelberg, die muziekkritieken schreef voor het Vrije Volk, hem al meenam naar het door diens broer Willem gedirigeerde Concertgebouworkest. ,,Ik was pas zeven, maar dat dirigeren van oom Willem bij de Matthaeus Passion vond ik toen al aanstelleritis!’’

misha
Sinds hij in 1964 van het Koninklijk Conservatorium in den Haag afstudeerde – met als hoofdvak muziektheorie, niet piano! – en dat zelfde jaar weldegelijk als pianist de legendarische saxofonist en fluitist Eric Dolphy begeleidde vlak voor diens dood, wat de historische plaat ‘Last Date’ opleverde, is Misha’s naam een begrip in de jazzwereld.
Mengelberg bemoeide zich met de Fluxus-beweging van de jaren zestig en met het muziektheater van de jaren zeventig. Hij speelde met iedereen die er toe doet in de improwereld. En anno 2005 bestaat het ICP nog altijd en blijkt in de Verenigde Staten méér publiek te trekken dan ooit te voren. Misha Mengelberg mag dan onopvallend door de Kalverstraat kunnen lopen, in de internationale avantgarde-jazzwereld is hij een monument. En dan hebben we het nog niet eens gehad over z’n werk als ‘serieus’ componist.
Nu, op z’n zeventigste maakt hij nog altijd muziek die de mensen – tot zijn eigen genoegen – in verwarring brengt. Zijn die paar achteloze noten die hij vaak op de vleugel speelt nou werkelijk zo simpel, of juist geniaal en geraffineerd? Zijn de twee of drie maten van bekende populaire deuntjes die hij vaak in z’n improvisaties verwerkt flauwekul of juist ingenieus? Gaat het nu om de herkenning of om de verrassing? Mengelberg verorbert een broodje oude kaas en zegt dat hij gewoon doet wat hij altijd gedaan heeft.
,,Ik herinner mij dat ik op het conservatorium eens samen met Louis Andriessen zat te improviseren. Ik speelde iets waar op een gegeven moment een zeker pesterigheidje in zat. Een soort van flauwigheid waarvan ik dacht:’Hé, dat is wel aardig!’ Toen zei ik tegen Louis: Dit is ongeveer waar ik op uit ben. En dat is nu, na al die jaren eigenlijk nog steeds het geval. Daar gaat het voor mij om: dat ik mijzelf een beetje kan amuseren. Dat ik dat wat ik in m’n kop heb er ook uit kan laten komen.’’

Improviseren

Componeren, op papier, doet hij de afgelopen tien jaar eigenlijk nauwelijks meer, zegt Mengelberg. Een bewuste keuze: De compositie-opdrachten zaten hem in de weg bij het improviseren. ,,Ik had steeds het beeld voor ogen van die andere componist die die keuze niet heeft gemaakt,’’ aldus de pianist, doelend op Frederic Chopin. ,,Toen hij vanuit Polen naar Parijs kwam had hij al een lichte vorm van tuberculose. In eerste instantie nog heel onschuldig en goed te onderdrukken met veel wandelen en niet te vet eten. Als Chopin pianoconcerten had gegeven kreeg hij vaak te horen: ja maar je speelde dat en dat stuk daar en daar heel anders! Waarop hij antwoordde dat zijn stukken in feite bestonden uit themaatjes waar hij wat omheen speelde. Een soort semi-improvisaties, dus. Toen zei Georges Sand een keer tegen hem: Je moet die improvisaties eens precies noteren, want als je straks dood bent weet anders niemand meer wat je precies speelde. Dat heeft Chopin toen gedaan; met grote tegenzin en het heeft hem uiteindelijk ook z’n gezondheid gekost. Hij vond het vreselijk om te doen, die partijen noteren, terwijl het improviseren hem juist op de been had gehouden. En ik heb die keuze nu zelf gemaakt. Ik was een dief van m’n eigen muziek geworden. Als ik in een improvisatie eens een aardige solo speelde dacht ik meteen: Há, die gebruik ik in m’n volgende compositieopdracht.’’

Ontregelen

Wel aardig. Wel een aardige solo. Wel een aardig muziekje. Zinnetjes die bij Mengelberg keer op keer terug komen. Groots en meeslepend is iets bij hem zelden – en zeker niet z’n eigen muziek.
,,Ik vind ‘aardig’ eigenlijk wel genoeg,’’ zegt de pianist. ,,Het is een uitdrukking die geen grote verwachtingen bewerkstelligt en dat is precies wat ik zelf wel aardig vind. Ik heb echt niet het idee dat ik iets maak voor de eeuwigheid. Hooguit dat mensen er tijdelijk wat plezier in kunnen hebben om naar een cassettebandje, plaatje of concert van mij te luisteren. Als mensen het al te ‘fantastisch’ gaan vinden is het voor mij meestal weer oppassen geblazen. In New York blijk ik bijvoorbeeld een aantal echte fans te hebben, die alles wat ik speel of aanraak prachtig vinden. Ik probeer die mensen dan toch het liefst een beetje te, eh… ontregelen. Of dat dan ‘vrijheid’ of ‘vrijblijvendheid’ is? Ach ik zou die woorden graag door elkaar gebruiken.’’
,,Vrije impro, noemen ze m’n muziek soms. Maar echt ‘vrije impro’ bestaat helemaal niet. Op het moment dat je je aan oude muzikale regels hebt weten te onttrekken, komen er weer nieuwe regels voor in de plaats. Je komt bijna altijd weer op een punt dat je je spel niet meer door vrijheid laat bepalen maar door een nieuw soort regulering. Dat is onvermijdelijk en dat moet je dan maar een beetje accepteren, denk ik.’’

Nieuwe Muziek

Het is tijd voor koffie. Mengelberg gaat consequent de vraag uit de weg, wat-ie nu eigenlijk met z’n muziek wil. Ja, iets aardigs maken. Maar verder? Mensen op het verkeerde been zetten; dat zeker. Dat is geen hobby, dat is z’n vak. Hij luistert naar veel nieuwe muziek, zegt hij – dat is ook z’n vak. Maar als hij er niets ‘aardigs’ in hoort stopt hij ook direct met luisteren. Hij doet het niet voor z’n lol. Net zomin als hij naar concerten gaat. Ja, als er vrienden spelen, dan gaat hij wel. Zoals de gitarist en improvisatie-theoreticus Derek Bailey. Als die een concert in Amsterdam geeft is Mengelberg erbij. Hij is fan. ,,En ken je de Russische componist Alexander Knaifel? Die heeft ook een stukje gemaakt waar ik zéér op gesteld ben. Het heet ‘Da’ en het lijkt héél simpel. Unisono. Maar steeds als je denkt het helemaal doorgrond te hebben komt hij weer met een variatie….’’
Misha Mengelberg veegt zijn mond af met het laatste zakdoekje en begint luid te zingen in het restaurant:,,Da da da. Di da. Dooo…!’’

Peter Bruyn

Gepubliceerd in Haarlems Dagblad, 1 juni 2005