Skip navigation

Oorjaarlijst-analyse 2013

Is iedereen ‘lijstjesverslaafd’? Het lijkt er op. Kranten trekken hele pagina’s uit om de Top-2000 te publiceren – die de ‘Top 100 aller tijden’ – die Veronica sinds 1968 jaarlijks uitzond – geheel lijkt te hebben weggevaagd. Lijstjes zijn ook meer dan ooit ‘nieuws’ in een tijd dat websites continu ververst moeten worden met wat tegenwoordig ‘content’ heet: Gebabbel en herkauwde en opgewarmde feiten van gisteren die nogmaals als ‘nieuws’ gepresenteerd worden. ‘Traffic’ genereren heet dat. Want ‘traffic’ trekt adverteerders en adverteerders brengen geld binnen.
Aan lijstjes en statistiek wordt ook vaak een schijn van exactheid of zelfs wetenschappelijke onderbouwing gehangen. En vervolgens wordt daar weer een conclusie aan verbonden. Bijvoorbeeld dat het ‘meest gekozene’ ook het ‘beste’ is. Of dat het dieet van een 110-jarige voor iedereen de sleutel tot een lang leven kan zijn. Het mooie van lijstjes en statistieken is dat ze zich kort en bondig laten weergeven in een grafiekje of tabel. Sla er de dagbladen maar op na – de gratis treinkrantjes voorop.

Nick Cave & the Bad Seeds - Push the Sky away

Nick Cave & the Bad Seeds – Push the Sky away

Maar wat zegt zo’n lijstje, tabel of grafiek nou eigenlijk? En hoe betrouwbaar zijn de conclusies die er doorgaans in de media vanuit de losse pols worden getrokken? Om die vragen een beetje correct te beantwoorden is er bij de meeste tabellen of grafieken een toelichting nodig die heel wat meer ruimte kost dan dat simpele tabelletje of die lekker ogende grafiek.
Hoe is het onderzoek gedaan? Onder hoeveel respondenten? Onder welke omstandigheden? Wie was de opdrachtgever? In hoeverre is er sprake van ‘ruis’, oftewel: in welke mate zijn de gegevens die je gevonden hebt relevant. En in hoeverre zijn de verschillen tussen verschillende metingen en respondenten significant?
En zelfs als dat allemaal verzekerd is, hoe interpreteer je dan de uiteindelijke resultaten. Dat is misschien nog wel het meest heikele punt. Over al deze zaken schreef Coen de Bruijn – absoluut geen familie; de statistische kans om ‘Bruijn’ of ‘Bruyn’ te heten in dit land is behoorlijk groot – het zeer verhelderende boek ‘Van Tofu krijg je Geheugenverlies; Gekonkel en gestuntel met statistiek in media, politiek en reclame’ waar ik ook voor deze analyse dankbaar gebruik heb gemaakt.

Kanye West - Yeezus

Kanye West – Yeezus

Met de jaarlijsten van Oor is het natuurlijk niet anders. Hoezo is het album dat door de meeste deelnemers wordt genoemd en zo op de eerste plaats eindigt ook het ‘beste’ album? Gelukkig heeft het blad dat niet boven de lijst gezet en staat er gewoon ‘Oor’s Eindlijst 2013’ boven de paar dozijn meest genoemde platen. Geheel naar waarheid natuurlijk.
Ooit, in de jaren zeventig, werd de Oor-jaarlijst nog samengesteld door amper twintig journalisten. Nu zijn dat er bijna driemaal zoveel. Dat levert interessantere cijfers op.
Echter, hoe relevant zijn deze cijfers? Kun je wel tot in het oneindige blijven doortellen en rangschikken, of moet je ergens een duidelijke streep trekken om de zaken een beetje serieus betekenisvol te houden?
En dan is er nog iets: Hoe spectaculair zijn die analyseresultaten vervolgens. Want dat lijkt de onvermijdelijke consequentie. Records zijn er om gebroken te worden. De hits moeten nog groter zijn, de overwinningen nog overtuigender dan voorgaande jaren.
Laat ik dan maar vast met de belangrijkste conclusie beginnen. De anticlimax wellicht. De verschuivingen per jaar zijn niet zo groot. Eigenlijk zijn jaarlijsten net het echte leven: Iedere keer ben je weer benieuwd of het dit keer eens totaal anders zal verlopen. En uiteindelijk blijkt de uitslag in grote lijnen vergelijkbaar met het jaar ervoor. En het jaar daarvoor. Nog nooit hebben alle deelnemers – of ook zelfs maar de helft van hen – hetzelfde album omarmd. En nog nooit hebben alle deelnemers stuk voor stuk voor totaal verschillende platen gekozen. Kortom, bij alle snelle veranderingen en onzekerheden van deze tijd blijft de Oor-jaarlijst een baken van Hollandse polderredelijkheid.

Ik voer de ‘analyse’ dit jaar voor de achtste keer uit (2005, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013) wat – ervan uitgaande dat de groep deelnemers over die periode grofweg constant is – weldegelijk enig inzicht begint op te leveren. Hierbij de resultaten van een weekend tellen, hertellen en toetsen aan wat statistische principes:

Om te beginnen de top-30 zoals die in de Oor #12 (dec 2013/jan 2014) verschenen is, maar nu met het behaalde puntenaantal erbij vermeld – nummer één in ieder lijstje kreeg 10 punten, nummer twee 9, etc. Plus tussen haakjes het aantal keren dat het album genomineerd werd. Bij gelijk puntenaantal gaat hoogste aantal nominaties voor .

1 Nick Cave and The Bad Seeds – Push the Sky away 117 (16)
2 Kanye West – Yeezus 91 (12)
3 Arcade Fire – Refektor 88 (14)
4 Arctic Monkeys – AM 84 (13)
5 Daft Punk – Random Access Memories 80 (11)
6 Jacco Gardner – Cabinet of Curiosities 64 (11)
7 Atoms for Peace – AMOK 58 (10)
8 Parquet Courts – Light up Gold 56 (9)
9 The National – Trouble will find me 54 (8)
10 Kurt Vile – Wakin on a pretty Daze 46 (9)
11 Unknown Mortal Orchestra – II 43 (6)
12/13 Holden – The Inheritors 41 (6)
12/13 Moderat – II 41 (6)
14 Mikal Cronin – MCII 40 (5)
15 Disclosure – Settle 38 (8)
16 Franz Ferdinand – Right Toughts, right Words, right Action 38 (6)
17 Bill Callahan – Dream River 35 (5)
18 Yagwar Ma – Howlin 34 (4)
19 Laura Marling – Once I was an Eagle 33 (6)
20 Vampire Weekend – Modern Vampires of the City 32 (7)

21 Boards of Canada – Tomorrows Harvest 31 (5)
22 Phosphorescent – Muchacho 30 (5)
23 Gregory Porter – Liquid Spirit 28 (3)
24 Queens of the Stone Age – Like Clockwork 27 (4)
25/26 Janelle Monáe – The electric Lady 25 (3)
25/26 Torre Florim & Roos Rebergen – De tweede Speeldoos 25 (3)
27 Deerhunter – Monomania 24 (4)
28/29 Ásgeir – In the Silence 22 (5)
28/29 Savages – Silence Yourself 22 (5)
30 Jonaathan Wilson – Fanfare 22 (3)

Oor zelf noemt de albums vanaf nummer 21 al ‘Bubbling Under’. Niet zonder reden, omdat de relevantie van dit deel van de lijst uiterst twijfelachtig is.

Maar voordat ik het over de relevantie van deze lijst ga hebben eerst even een opmerking over de wijze van

Arcade Fire - Reflektor

Arcade Fire – Reflektor

samenstellen. Doorslaggevend is hier het puntenaantal en bij gelijk puntenaantal is het aantal nominaties bepalend. Er is echter ook iets te zeggen voor een telling waarbij het aantal nominaties het zwaarste weegt en daarna pas – bij gelijk aantal nominaties – het totaal aantal punten dat een album scoort. De eindlijst van het Britse muziekblad The Wire is bijvoorbeeld op die manier samengesteld. Mede uit eigen ervaring weet ik dat lijstjessamenstellers misschien nog wel meer hechten aan de vraag welke tien platen in hun lijstje komen – en dus in Oor afgedrukt worden – dan aan de precieze volgorde van dat lijstje. Onderbouwing voor die gedachte vond ik in het verleden regelmatig bij het lezen van de blogs van diverse samenstellers. De vraag welke albums de top-10 überhaupt zouden halen leverde meer getob op dan de exacte positie van de tien geselecteerde albums.

Een alternatieve Top 23 waarbij het aantal nominaties doorslaggevend is zou er zo uitzien:

1 Nick Cave and The Bad Seeds – Push the Sky away 117 (16)
2 Arcade Fire – Refektor 88 (14)

3 Arctic Monkeys – AM 84 (13)
4 Kanye West – Yeezus 91 (12)
5 Daft Punk – Random Access Memories 80 (11)
6 Jacco Gardner – Cabinet of Curiosities 64 (11)
7 Atoms for Peace – AMOK 58 (10)
8 Parquet Courts – Light up Gold 56 (9)
9 Kurt Vile – Wakin on a pretty Daze 46 (9)
10 The National – Trouble will find me 54 (8)
11 Disclosure – Settle 38 (8)
12 Vampire Weekend – Modern Vampires of the City 32 (7)
13 Unknown Mortal Orchestra – II 43 (6)
14/15 Holden – The Inheritors 41 (6)
14/15 Moderat – II 41 (6)
16 Franz Ferdinand – Right Toughts, right Words, right Action 38 (6)
17 Laura Marling – Once I was an Eagle 33 (6)

18 Mikal Cronin – MCII 40 (5)
19 Bill Callahan – Dream River 35 (5)
20 Boards of Canada – Tomorrows Harvest 31 (5)
21 Phosphorescent – Muchacho 30 (5)
22/23 Ásgeir – In the Silence 22 (5)
22/23 Savages – Silence Yourself 22 (5)

(Ik stop hier bij nummer 23, omdat ik verderop zal aantonen dat albums met minder dan 6 nominaties eigenlijk al niet meer relevant te noemen zijn binnen de telling. Pech voor Mikal Cronin.)

De opvallendste verschil tussen de beide lijsten is de daling van Kanye West met 2 plaatsen t.o.v. de ‘officiële lijst’ of ‘puntenlijst’. De grootste verschuiving binnen de top-20 is de stijging van Vampire Weekend met acht plaatsen ten opzichte van de Oor-lijst. Maar van de albums tussen plaats 10 en plaaqts 20 mag jeje afvragen hoe significant de onderlinge verschillen nog zijn. Daar kom ik later ook op terug.

Ik heb voor de aardigheid nog twee andere wijzen van samenstellen uitgeprobeerd:
Hoe zou de lijst er uit hebben gezien als alle deelnemers slechts één album hadden mogen noemen? Ik heb dus gekeken naar de platen die de deelnemers op nummer één in hun jaarlijstje hebben genoemd. Hierbij het overzicht van de platen die door meer dan één deelnemer op de bovenste plek werden gezet:

Tabel 1:
Artiest Aantal keren op #1

1 Kanye West 5
2 Daft Punk 4
3 Nick Cave and the Bad Seeds 3
4 t/m 7 Yagwar Ma 2
4 t/m 7 Arcade Fire 2
4 t/m 7 Atoms for Peace 2
4 t/m 7 Gregory Porter 2

Tabel 1 maakt – nog nadrukkelijker dan de eerder genoemde lijst op basis van het aantal nominaties – duidelijk dat Kanye West zijn hoge positie in de eindlijst dankt aan een relatief kleinere groep aanhangers, die hem echter wel buitengewoon hoog waarderen. Iets dergelijks geldt voor soulman Porter, die in de eindlijst van Oor ‘bubbling under’ blijft voorbij de twintigste plek, maar op basis van de nummer één noteringen op een gedeelde vierde plaats terecht zou komen.

Arctic Monkeys - AM

Arctic Monkeys – AM

Dit alles vraagt echter direct weer om relativering – die later volgt – omdat we het hier hebben over minder dan 5 % van de lijstjesdeelnemers.

De zaken worden alweer wat relevanter als we bij alle deelnemers niet alleen naar de nummer één kijken, maar per deelnemer de top-3 in acht nemen. En daarbij dan het aantal keren genoemd zijn als uitgangspunt nemen. Dan krijgen we een eindlijst die niet significant verschilt van de Oorlijst. Zie tabel 2:

Tabel 2:

Artiest Aantal keren genoemd in top-3

1 Nick Cave & the Bad Seeds 10
2 Kanye West 7
3 Arcade Fire 6
4 Daft Punk 5
5 t/m 7 Jacco Gardner 4
5 t/m 7 Moderat 4
5 t/m 7 The National 4

Dan nu het echte werk. De relevantie van de lijst en de vraag hoe significant de verschillen zijn. Daarvoor gaan we terug naar de oorspronkelijke Oorlijst.

Wat de relevantie betreft:

– Er deden dit jaar evenals in 2012 vijfenvijftig samenstellers mee aan de jaarlijstjes. Vijf minder dan in 2011 en in 2009. In 2010 waren er vijftig deelnemers en in 2008 maar liefst 64. In 2007 vijftig en in 2006 en 2005 werd er in beide gevallen door 44 samenstellers deelgenomen. Hoe meer deelnemers, of respondenten, hoe betrouwbaarder de statistiek en hoe meer mogelijkheden om de resultaten succesvol te analyseren en interpreteren. (Zie tabel 3)

Tabel 3
Jaar Aantal deelnemers
2005 44
2006 44
2007 50
2008 64
2009 60
2010 50
2011 60
2012 55
2013 55

– De 55 deelnemers van 2012 hadden in theorie in totaal 10 x 55 = 550 verschillende albums kunnen nomineren. Ze nomineerden in totaal 277 albums, wat neerkomt op 5,04 ‘unieke albums’ per samensteller. Hoe meer unieke albums per lijstje, hoe meer de samenstellers van elkaar verschillen in hun opvatting wat de belangrijke platen van het jaar zijn. (Zie tabel 4) Daaruit mag je concluderen dat de samenstellers het in 2013 ietsje méér met elkaar eens waren dan de vier voorgaande jaren. De verschillen zijn echter te klein om ver strekkende conclusies aan te verbinden.

Tabel 4.

Jaar Aantal unieke albums per lijst

2007 5,56
2008 5,03
2009 5,53
2010 5,50
2011 5,20
2012 5,32
2013 5,04

Hoveel ‘unieke albums per lijst’ er worden genomineerd hangt niet alleen af van het aantal releases waaruit een keuze kan worden gemaakt, maar waarschijnlijk nog meer van het deelnemersveld. Specialisten binnen een genre – reggae, deathmetal, drum’n’bass, singersongwriters, progrock, etc) zullen eerder geneigd zijn albums te nomineren die niemand anders noem dan generalisten doen. De Oorjaarlijst wordt al jaren oveerwegend door generalisten samengesteld, wat statistisch méér bruikbare gegevens oplevert – omdat albums die slechts éénmaal genoemd worden in de statistiek vooral ‘ruis’opleveren.
Dat vaststellend, zou het best kunnen dat de iets grotere overeenstemming dit jaar het gevolg is van een geringer aantal ‘specialisten’ onder de deelnemers. (En hoewel ik mij hier uiteraard slechts met kwantitatieve gegevens mag bezighouden en mijn persoonlijke indruk van albums en deelnemers buiten deze analyse moet houden, kan ik mij toch niet helemaal onttrekken aan de indruk dat er dit jaar wat minder specialisten onder de deelnemers zijn, wat in dit geval dus de eensgezindheid in de hand werkt.)

Daft Punk - Random Access Memories

Daft Punk – Random Access Memories

– Van de 277 albums die in totaal genomineerd werden door de samenstellers van 2013, werden er maar liefst 185 slecht één keer genoemd. Dat is 66,8%. Op albums die slechts één keer genoemd worden is geen serieuze statistiek te beoefenen. Één keer genomineerd worden is niet zelden een toevalstreffer. Wat ons bij de jaarlijsten interesseert zijn die albums waarover wellicht niet alle, maar toch veel samenstellers het eens zijn. Kortom 185 van de 277 genomineerde albums zijn eigenlijk slechts ‘ruis’ binnen de statistiek. Het percentage ruis blijkt overigens tamelijk constant door de jaren heen: In 2012 was het 66,4% In 2011 66,7%; in 2010 69,9%; de jaren daarvoor 1 of 2 procentjes meer of minder. Echter geen significante verschillen.

– Maar doen de 92 resterende albums, die dus twee of meer keer genomineerd zijn, er dan allemaal statistisch wel toe? Ook daar kun je serieuze vraagtekens bij zetten. Om dat te kunnen doen moet je echter eerst enkele premissen vaststellen:

– Statistiek berust op cijfers. ‘Harde cijfers’ wordt wel gezegd. En ‘cijfers liegen niet’. Maar cijfers kunnen wel onzin verkopen als je ze niet op de juiste wijze interpreteert. En die interpretatie berust op aannames en afspraken die in de logica ook wel ‘premissen’ worden genoemd. Uit de individuele lijstjes van 55 recensenten, journalisten en programmeurs – kortom insiders – wordt de lijst samengesteld van albums die er toe doen. Stel nu eens dat je als minimumcriterium – of premisse – vaststelt dat een album interessant en relevant genoeg is om verder over te discussiëren als dat album door tien procent van de samenstellers wordt genomineerd (wat dus betekent dat negentig procent van de samenstellers de plaat in kwestie niet eens de moeite vindt om ook maar op de tiende plaats in zijn of haar lijstje te zetten!). Daarmee is de lat voor een ‘relevant album’ toch behoorlijk laag gehouden, lijkt mij. Door minimaal tien procent genomineerd betekent in het geval van de Oorjaarlijst 2013: door 5,5 samenstellers, dat is afgerond 6 samenstellers. Een blik op de Oor-lijst leert dan dat er ergens tussen de gedeelde plek 12/13 (Holden/Moderat) en de twintigste plaats (Vampire Weekend) een dikke streep moet worden getrokken. Er is natuurlijk nogal wat voor te zeggen om hier de alternatieve, op nominaties gebaseerde ranglijst te hanteren. Daar komt de streep onder Laura Marling op nummer 17. In tabel 5 zie je hoeveel albums er de afgelopen jaren door minimaal 10% van de respondanten werden genomineerd.

Tabel 5.
jaar Aantal albums door minimaal 10% respondenten genomineerd

2007 22
2008 12
2009 14
2010 21
2011 16
2012 15
2013 16

Hoe meer albums door minimaal 10% van de respondenten genomineerd wordt, des te eensgezinder de groep. Dit is dus een andere wijze om de eensgezindheid van de deelnemende respondenten uit te drukken. Maar hier betreft het eensgezindheid met betrekking tot albums die ‘relevant’ waren voor in het betreffende jaar, niet de ‘absolute topper’. De tabel laat een wat schommelend verloop zien en vergelijking met tabel 4 leert dat de conclusie m.b.t. ‘eensgezindheid’ niet op basis van een enkel gegeven zoals gedefinieerd in tabel 4 of 5 kan worden gebaseerd.

Jacco Gardner - Cabinet of Curiosities

Jacco Gardner – Cabinet of Curiosities

Nog even terug naar het uitgangspunt voor tabel 5: Dat een album door 10% van de respondenten wordt genomineerd (en dus door 90% geheel wordt genegeerd) is toch wel een absolute minimumeis die je aan een album mag stellen om bij consensus ‘relevant’ te zijn, was mijn uitgangspunt. Alles daaronder is –hoe boeiend of spannend muzikaal ook – als statistisch materiaal volkomen oninteressant. Dat wordt onderstreept als we straks naar de concrete puntenaantallen en de al dan niet significante verschillen daartussen gaan kijken. Dat onderstreept dat het voor de statistiek onzin is om verder te kijken dat de eerste twintig albums van de Oorlijst. De tien albums die in de Kerst-Oor van dit jaar als ‘Bubbling Under’ worden genoemd zijn statistisch inwisselbaar en men heeft er verstandig aan gedaan om ddie lijst niet verder door te laten lopen tot een dertigste of veertigste plek, wat in het verleden een paar keer is gebeurd en vooral verwarring en flauwekul oplevert.

– Maakt verder niet uit, want het zijn natuurlijk de bovenste platen die er echt toe doen. Maar hoeveel doen ze er toe? Ik heb hierboven mijn ‘één op tien’ premisse voor relevantie toegelicht. Laten we het echter nu eens niet over ‘relevante’, maar over ‘echt belangrijke’ platen hebben. Albums waar werkelijk over gesproken wordt in het popcircuit. Albums waarover iedereen wel een mening heeft. Wat voor criterium leg je daarvoor aan? Dat is natuurlijk wederom een aanname, een premisse. Omdat ik deze analyse in m’n eentje zit te typen is het volgende niet echt een ‘consensus’, maar ik hoop dat de lezer mijn aanname begrijpt. Ik stel, evenals voorgaande jaren, voor dat een ‘belangrijk album’ een album is dat door minimaal één op de vier samenstellers überhaupt de moeite waard wordt gevonden om in zijn of haar eindlijstje op te nemen – dat impliceert dus dat drie van de vier samenstellers zo’n album niet noemen. Ook die lat is niet onredelijk hoog gelegd, lijkt mij. Dan zijn de belangrijke albums die albums die in 1013 minimaal 13,75, dus afgerond 14 keer genomineerd worden. Dat blijken er dit jaar twee – Nick Cave en Arcade Fire – te zijn, tegenover welgeteld één – Alt-J – vorig jaar. Kortom, als je je kunt vinden in de door mij hier voorgestelde ‘1 op 4’ premisse, dan bestaat onder de Nederlandse recensenten en programmeurs die meededen aan de Oor-poll de consensus dat ‘Push the Sky away’ en ‘Refleektor’ de twee albums waren die ertoe deden in 2013.

– Vergelijken met voorgaande jaren levert de volgende tabel op:

Tabel 6

jaar Aantal albums door minstens 25% van respondenten genomineerd
2007 3
2008 3
2009 2
2010 2
2011 1
2012 1
2013 2

Dat levert dus een vrij constant patroon op waaraan amper conclusies te verbinden zijn.

Een andere vraag in dit verband luidt:

– Hoeveel consensus bestaat er met betrekking tot de nummer één positie? Je zou het aantal nominaties gedeeld door het aantal samenstellers het ‘nominatie quotiënt’ (NQ) kunnen noemen. En het aantal behaalde punten gedeeld door het maximaal haalbare aantal punten de ‘score quotiënt’ (SQ). Hoe hoger de quotiëntwaarde des te meer consensus er bestaat m.b.t. die plaat als ‘plaat van het jaar’. De maximaal haalbare waarde voor zowel SQ als NQ is dan 1,0. Als we kijken naar de nummer één albums van de afgelopen vijf jaar, dan zien we:

Tabel 5:

Jaar album SQ NQ
2013 Nick Cave and the bad Seeds 0,21 0,29
2012 Alt-J 0,21 0,31
2011 PJ Harvey 0,16 0,22
2010 Arcade Fire 0,21 0,32
2009 The XX 0,18 0,27
2008 TV on the Radio 0,21 0,33
2007 Arctic Monkeys 0,20 0,28

Dit zijn geen grote verschillen, al kun je zeggen dat de nummer één positie van zowel Cave dit jaar als Alt-J vorig jaar op basis van het aantal nominaties en de score toch wel significant sterker is dan die van PJ Harvey in 2011.

Atoms for Peace - AMOK

Atoms for Peace – AMOK

Ook over de significantie van het rangorde in de top 20 van 2013 kan weldegelijk het één en ander opgemerkt worden:

Bij de statistiek van wetenschappelijke meetresultaten is ‘significantie’ een belangrijk begrip. Een rekenmachine is een dom ding. Die berekent alle mogelijke gegevens die je er in stopt tot talloze cijfers na de komma. Maar je hebt alleen wat aan gemeten verschillen als je zeker weet dat dat verschil niet het gevolg is van toeval of van onnauwkeurigheden in de meetmethode of –apparatuur. Als je iedere dag je loopje naar de supermarkt met een stopwatch meet en aan het eind van het jaar berekent dat je er 10 minuten en achtenveertig seconden over doet, en je doet het jaar daarop hetzelfde en komt dan uit op gemiddeld tien minuten en zevenenveertig seconden, dan betekent dat niet dat je sneller bent gaan lopen. Dat is onzin. Misschien heb je dat eerste jaar een keer even snel tussendoor je veters gestrikt of een was je een moment afgeleid door een etalage waar je bent blijven kijken. Die ene seconde is geen significant verschil.
En er is nog iets. Als je in de biologie de verontreiniging van slootwater wilt meten moet je er rekening mee houden dat ook water dat we als ‘schoon’ beschouwen nog een zekere hoeveelheid verontreiniging bevat.
Moeilijker wordt het al met het analyseren van door enquêtes verkregen kwantitatieve gegevens in de menswetenschappen. Als je honderd mensen interviewt en 49 zeggen dat ze prettig wonen in hun wijk terwijl 51 procent van de bewoners van dezelfde wijk zegt zich onprettig te voelen, is de conclusie dat een meerderheid zich onprettig voelt onzorgvuldig. Bij zo’n enquête spelen er zoveel verontreinigende factoren mee, dat die twee stemmen verschil absoluut geen significant onderscheid veroorzaken – al is het maar dat ‘klagers’ doorgaans eerder hun verhaal kwijt willen dan mensen met wie het prima gaat. Als 90 mensen zeggen zich onprettig te voelen en 10 mensen prettig, dan kun je echter wel betrouwbaar van een duidelijke meerderheid spreken. Bij onze jaarlijstjes ligt het natuurlijk wel ietsje subtieler. Maar een redelijke minimum eis lijkt mij dat een verschil significant is als het niet door één extra samensteller teniet kan worden gedaan. Eén extra samensteller staat voor een verschil van maximaal 10 punten.

– Een blik op de Oor-jaarlijst 2013 leert dan dat de kloof tussen nummer 1 en 2 – Nick Cave en Kanye West – maar liefst 26 punten bedraagt. Dat is zondermeer een significant verschil. Zelfs als er twee jaarlijstjesdeelnemers geweest zouden zijn die bij het maken van hun lijstje even een black out hadden en Kanye überhaupt niet noemden, terwijl ze dat album eigenlijk op nummer 1 hadden willen zetten, dan nog zou Nick Cave maar liefst zes punten voor blijven. Een afgemeten toppositie dus, waar statistisch niets op valt af te dingen. Verderop in de lijst zijn de verschillen echter heel wat minder significant.

– Dat begint al bij de nummers 2 tot en met vijf. Tussen Kanye West (2), Arcade Fire (3), Arctic Monkeys (4) en Daft Punk (5) zit telkens drie of vier punten verschil. Eén enkele respondent had Daft Punki dus van 5 naar 3 kunnen duwen, of Arctic Monkeys van 4 naar 2. Kortom, de rangorde van nummer twee tot nummer vijf in de lijst is formeel correct, maar het gaat om kleine, nauwelijks significante verschillen. Tussen Daft Punk en Jacco Gardner op de zesde plaats gaapt wel een significant gat van 16 punten dat niet door één deelnemer te overbruggen is. De kloof van zes punten tussen Jacco Gardner en Atoms for Peace op 7 is overbrugbaar, maar behoorlijk. Vanaf pakweg plaats 11 – Unknown Mortal Orchestra’ kan er niet of nauwelijks meer van significant onderscheid worden gesproken. Eén enkele respondent had Laura Marling van plaats 19 naar de drempel van de top-10 kunnen lanceren. Kortom wat puntenaantallen betreft mag de Oor-jaarlijst vanaf plek elf met een flinke schep zout genomen worden.

– De onomstotelijke realistische interpretatie van de lijst doet ons dus vaststellen dat de volgorde vanaf plaats elf bijna net zo goed door het werpen van een dobbelsteen bepaald had kunnen zijn. Nogmaals, ik heb het hier alleen over de rangorde. Want dat ze in de lijst staan heeft weldegelijk enige relevantie omdat ze tot en met plaats zeventien – Laura Manning – zoals we eerder vaststelden door minimaal 10% van de lijstdeelnemers zijn genomineerd.

Parquet Courts - Light up Gold

Parquet Courts – Light up Gold


Samengevat levert dit de volgende realistische conclusies op m.b.t. de Oorjaarlijst 2013:
De cijfers over het totaal aantal genomineerde albums door de deelnemende respondenten, in combinatie met de ‘ruis’ – slechts 1 keer genoemd – leert dat het deelnemersveld aan journalisten, boekers, dj’s, etc in grote lijnen net zo gemêleerd (of homogeen) was als de voorgaande zes jaar. Afgaand op de lijstjes heeft Nick Cave onomstotelijk het beste album afgeleverd, maar maakte ook Arcade Fire een album dat ‘er toe deed’ – want genomineerd door minimaal een kwart van de deelnemers. Winnaar Nick Cave and the Bad Seeds wordt wat score betreft op significante afstand gevolgd door het kwartet Kanye West, Arctic Monkeys, Arcade Fire en Daft Punk, die als het ware een stoeleendans doen rond de plekken 2 t/m 5. Daarachter volgt enige, maar significante afstand Jacco Gardner. Atoms for Peace, Parquet Courts en The National hebben zich ook nog stevig in de top tien genesteld. Daaronder wordt volgens het aloude Olympische motto het meedoen belangrijkeer dan het winnen en zijn de onderlinge posities vrijwel inwisselbaar. Ruis en willekeur maken het onmogelijk de in Oor afgedrukte lijst vanaf plek achttien nog enigszins statistisch serieus te nemen.
Tegelijk is de conclusie gerechtvaardigd dat de variatie in het keuzegedrag van de respondenten over de afgelopen zes jaar vrijwel constant is gebleven.
The National - Trouble will find me

The National – Trouble will find me

En verder nog:

– Er zijn nog wat andere aardige conclusies te trekken, zonder inhoudelijk op de keuzes van de samensteller in te hoeven gaan. De ‘meest representatieve’ en de ‘meest excentrieke’ samensteller, bijvoorbeeld. Wat eerstgenoemde betreft: Die titel moet dit jaar verdeeld worden tussen Vpro’s Roosmarijn Reijmer, Johan Gijssen van Tivoli en de beide Volkskrantrecensenten Gijsbert Kamer en Menno Pot. Zij allen hadden ‘nul’ unieke albums in hun lijstje; andersom gezegd: zij allen hebben hun lijstje samengesteld uit albums die ook al door minstens één andere deelnemer zijn genomineerd. Zowel Pot als Kamer viel ook vorig jaar deze eer reeds te beurt. En om geruchten over complotten of pacten maaar vast in de kiem te smoren: Er is beslist géén sprake van een opmerkelijke overlapping tussen de lijstjes van Volkskrantcollega’s Pot en Kamer.

– En dan de meest ‘excentrieke’ deelnemer. Dat is uiteraard de respondent met de meeste unieke nominaties. Er is dit jaar – evenals de drie vorige jaren – geen enkele respondent die tien albums in zijn/haar lijstje had staan die verder door niemand genoemd werden. Eén deelneemer – Oor-encyclopedieveteraan en progrockliefhebber Frans Steensma – leverde negen unieke nominaties in en mag zich daarmee de excentriekeling van de Oorjaarlijst 2013 noemen. Aspirant-excentriekeling met acht unieke nominaties is Nieuwe revu’s Lars Meijer, die vorig jaar ook al hoog scoorde in deze categorie.

Tenslotte nog enkele trivia:

– Op een totaal van 277 genomineerde albums waren er in 2013 28 van eigen bodem. Dat is 10,1% In 2012 was dat nog 8, 6 % en in 2011 7,7 %. Met een slag om de arm mag je volgens mij toch wel zeggen dat er enige significante groei zit in de hoeveelheid Nederlandse muziek die de afgelopen jaren is genomineerd. In de top-20 van de Oor-jaarlijst is daar overigens nog niet zoveel van te merken. Daar representeert Jacco Gardner dit jaar in zijn eentje het rood-wit-blauw. Vorig jaar stonder er nog twee Nederlandse albums bij de hoogste twintig (Moss en Blaudzun). In 2011 was dat er één (Spinvis). In 2010 geen enkele. In 2009 drie (Moss, Anne Soldaat en De Staat) en in 2008 alleen Voicst. Opmerkelijk: Op Voicst en Blaudzun na allemaal albums die bij het Excelsior-label zijn verschenen.

– Nog een aardig – hoewel niet sensationeel – cijfer met betrekking tot de organisator van de poll: Oor. Bij de 55-pollmedewerkers zitten 25 medewerkers en redactieleden van Oor. Als je hun stemgedrag apart bekijkt, zie je dat Kanye West bij hen hoger scoort (54) dan Nick Cave (51) en aanzienlijk meer dan Arcade Fire (32).

Kurt Vile - Wakin on a pretty Daze

Kurt Vile – Wakin on a pretty Daze


– Een laatste feitje: Bij de 55 samenstellers van de jaarlijst 2013 zaten vijf vrouwen. Nog geen 10% dus. Vorig jaar namen er vier vrouwen deel, evenals in 2011, hoewel er toen nog 60 deelnemers waren. In 2010, bij 50 deelnemers, waren het er drie en in 2009 was er geen enkele vrouwelijke respondent. Kortom, hoe gering ook, er zit heel voorzichtig groei in het aandeel van vrouwen aan de jaarlijstjes. Natuurlijk is ‘lijstjes maken’ een typisch mannending, zoals alle triviahobbies. Maar dat neemt niet weg dat een andere man-vrouw verdeling bij de deelnemers ongetwijfeld een andere eindlijst had opgeleverd. Dat bewijst bijvoorbeeld onderzoek naar het stemgedrag bij de jaarlijkse Top-2000. Daaraan nemen ook nog altijd significant meer mannen dan vrouwen deel, maar het aantal vrouwen is daar ook als ‘minderheid’ nog zo groot dat er weldegelijk statistiek op valt te bedrijven. Dat is bij de vijf vrouwelijke deelnemers aan de Oor-jaarlijst 2013 niet op een betrouwbare wijze mogelijk. Toch valt er iets op – al is dat eerder een ‘natte vinger conclusie’ dat een statistisch ‘hard’ feit: De nummers één en twee van de eindlijst, Nick Cave en Kanye West, worden geen van beiden genoemd in de top-10 lijstjes die de vijf vrouwelijke deelnemers aan de Oor-jaarlijst 2013 bijdroegen.

– Genoeg gerelativeerd. Plaatjes draaien. Om er over een paar weken achter te komen dat die albums die je over het hoofd zag, vergat of gewoon nog niet kende in 2012 toch gewoon de allerbeste van dat jaar waren. Want zo gaat dat en dat maakt lijstjes ook zo leuk.

Tot volgend jaar maar weer,

Peter Bruyn

(Vragen? Opmerkingen Foutje ontdekt in het rekenwerk? Aarzel niet mij te mailen: pbruyn@worldonline.nl )